( klik op logo voor HOMEPAGE )

De Kleine Johannes

Filmscript

juli 1996 versie 1.1

Link Inleiding - Treatment - Synopsis
Boekadaptatie De Kleine Johannes van Frederik van Eeden 1887 - De Jongenskamer

DirkJan Vos - d.vos35@chello.nl

Amsterdam - Den Haag 1960

De Kleine Johannes

GENERIQUE

[ BEELD ZWART ]

Vanuit de donkere stilte worden kleine wittes stipjes, als een sterrenhemel, in het midden van het beeld zichtbaar. Gedempte muziek waaiert uit in flarden van vervreemde, zuchtende, kloppende en melancholieke klanken. De titel verschijnt midden over het beeld:

DE KLEINE JOHANNES

Linksonder draait langzaam een grote volle maan het beeld in. De maan verandert langzaam in een witte bol. Rechts-onderaan verschijnt de verdere optiteling.
De honderden witte sterrenstipjes koens steeds sneller naderbij, worden groter en hebben nu vorm van mannelijke zaadcellen; kleine, witte, ovale bolletjes die zich snel voortbewegen met een trillend vissenstaartje. Een aantal spermacellen botst tegen de bol - dat nu een vrouwelijke eicel blijkt te zijn - en probeert het eitje binnen te dringen.
Een spermavisje ploft in het eitje dat nu midden in het beeld staat. De eicel stopt met draaien en de vrucht begint te groeien. De zaadcellen verdwijnen uit het beeld. De eicel wordt doorschijnend en een lichtroze foetus tekent zich af. De foetus verwant en armpjes. en beentjes worden zichtbaar. Fade na fade groeit de foetus tot het klaar en af is. Een klein hartje klopt in het rood-roze, doorschijnende lichaampje en het nog ongeboren kindje heeft nu een duimpje in zijn mond.

[ FADE NAAR ZWART ]

De eerste levenskreten van een net geboren baby worden luid hoorbaar. Het gehuil echoot langzaam weg.

EINDE GENERIQUE

DEEL 1

[ EXT/DUIN/DAG ]

[ FADE UP ]

[ MUZIEK: Impressionistisch ]

De zon staat aan de hemel. Langzaam verglijden panoramische beelden van een zomers, licht en helder duinlandschap. Uit de verte komt een jongen, een jaar of twaalf oud, met een schooltas naderbij. Hij draagt een korte broek en zijn kleding en korte haar maken een ouderwetse indruk. Hij kijkt dromerig om zich heen, naar de vogels die voorbij vliegen en naar de konijnen die over de duintoppen wegspringen. Hij verlaat het duinpad en loopt door een klein bos waar, door de bomen heen, een groot huis zichtbaar wordt. De jongen loopt het tuinpad op van het huis. Een hond komt het kwispelend tegemoet. Een volwassen mannenstem begeleidt de openingsbeelden.

VERTELLER

Ik zal je iets van de kleine Johannes vertellen. Mijn verhaal lijkt op een sprookje, maar het is allemaal echt gebeurd. En wanneer je het niet gelooft, dan moet je niet verder luisteren. Johannes wil er verder niet meer over spreken, maar hij vind het goed dat ik zijn verhaal van lang geleden vertel.

[ Tijdens de shots met de stem van de verteller zijn de geluiden in het huis op de achtergrond. De verteller spreekt onder de shots die vooraf en hierna worden beschreven. ]

[ INT/KEUKEN/DAG ]

In de keuken legt Johannes zijn schooltas op tafel. Een jonge vrouw praat tegen hem terwijl ze achter een fornuis staat te koken. Een kat loopt door de keuken.

[ INT/HUIS/DAG ]

Johannes loopt door de grote woonkamer, naar de hal en beklimt de brede trap. De hond loopt achter hem aan.

[ INT/ZOLDER/DAG ]

Johannes betreedt door een luik de zolder. De zolder staat vol met oude meubelen, een grote zwarte kolenkachel en er zijn allerlei oude snuisterijen die je op een zolder kan vinden. Op een stoffige kast ligt een verrekijker die Johannes om zijn nek hangt.

Johannes ligt bij het zolderraam te lezen in 'De reis naar de maan' van Jules Verne. De hond ligt naast hem.

[ INT/HUIS/DAG ]

Johannes loopt met de verrekijker voor zijn ogen door het huis en bekijkt de slaapkamer van zijn vader, de badkamer, de kamer van de kindermeid en het 'kippenkamertje'. Het hele huis en interieur ziet er vooroorlogs uit, jaren dertig.

[ INT/SLAAPKAMER JOHANNES/DAG ]

Johannes gaat zijn slaapkamer binnen. Aan de muren hangen een paar prenten met schepen, op een tafeltje liggen fossielen en naast zijn bed staat een wereldbol. Hij legt de verrekijker neer op zijn bureautje, naast een opgezette uil. Johannse gaat voor het raam staan en staart in de grote, uitgestrekte tuin.

VERTELLER

Johannes woonde met zijn vader, het kindermeisje Anna, Presto de hond en Simon de poes, in een oud huis met een grote tuin. Het was een hele wereld voor Johannes. Hij kon er verre tochten maken en hij gaf namen aan alles wat hij ontdekte. Voor de kamers in het huis had hij dierennamen bedacht: de rupsenzolder omdat hij daar rupsen grootbracht; het kippenkamertje omdat hij daar eens een kip had gevonden.

[ INT/WOONKAMER/AVOND ]

In de woonkamer zitten Johannes, zijn vader en het kindermeisje Anna aan tafel. Ze bidden en wensn elkaar smakelijk eten. De vader praat vriendelijk en lacht om Johannes zijn verhalen. De kamer is gehuld in een warme gloed van de avondzon. Boven de piano in de kamer hangt een impressionistisch schilderij met het portret van een jonge vrouw met een een strooien hoedje waarop kleine bloemen zijn gevlecht.

VERTELLER

Johannes hield heel veel van Presto, maar het meest hield hij van zijn vader. Zijn vader was een wijs man, waaraan hij van alles vroeg en die hem van alles vertelde. Anna vond dat hij vaak domme vragen stelde, zoals waarom de wereld was waarom hij was en waarom mensen en dieren dood moest gaan. En of er nog wornderen konden gebeuren. Johannes´ vader vond de vragen niet dom, maar hij zei niet alles wat hij wist. En dat was goed voor Johannes.

[ EXT/TUIN/AVOND ]

Het is schemerig buiten. De zomerse zon daalt langzaam achter de bomen. Johannes en Presto lopen door de tuin, naar de oever van de grote, dichtbegroeide vijver. Johannes zit aan de rand van het water en kijkt naar de vijver. Hij ziet de volle maan die is opgekomen.

VERTELLER

Het liefst was Johannes buiten, in de tuin. Ook daar had hij voor alle plekjes namen bedacht. Zo was er een frambozenberg, een dirkjesbos en een aardbeiendal. Aan het einde van de tuin was een bijzonder plekje dat hij het paradijs noemde. Op warme zomeravonden was Johannes daar altijd te vinden en hij dacht dan aan de diepte van het stille, heldere water en hij dacht hoe gezellig het moest zijn tussen de waterplanten. Hij staarde graag naar de vere wolken die boven de duinen zweefden en dacht wat daar wel achter zou zijn en hoe heerlijk het was als hij daar naar toe zou kunnen vliegen.

[ EXT/ROEIBOOT/AVOND ]

Presto springt in een kleine roeiboot die tussen het riet ligt. Johannes duwt de boot van de kant en stapt in. De zon zakt verder weg in een veelkleurige wolkenpracht.

VERTELLER

Het allerliefst zat Johannes met Presto in de boot. Wegdromen in de diepte van de lichtgrot in de lucht. Vleugels, dacht Johannes, had hij maar vleugels om erheen te vliegen.

De boot ligt in het midden van de vijver. Presto ligt te slapen en Johannes ligt voorover naar de ondergaande zon te kijken.

VERTELLER

Opeens schoot er iets van een suizeling over het watervlak, als een lichte windvlaag en Johannes schrok ...

Op de rand van de boot daalt een kleine, ranke gestalte neer. Het lichte wezentje heeft twee vleugels die in een wijde, nevelige cirkel trillen. Om de punten van zijn vleugels vormt zich een oplichtende ring. In de trillende nevel ziet Johannse twee donkere ogen schitteren. De vleugels houden op met trillen en Johannes kan het wezentje nu goed bekijken. Het heeft een lief en vriendelijk gezichtje. Het draagt een dun, lichtblauw pakje met korte mouwtjes en dat aaneengesloten tot even boven zijn knietjes reikt. Het heeft geen schoentjes aan. Over zijn schouders hangt een even lichtblauw keepje waardoor zijn doorzichtige vleugels heensteken. Op het haar ligt een krans van witte winden en zijn hand draagt het een irisbloem. Het is niet te zien of het een meisje of een jongen is.

JOHANNES
(fluisterend)

Presto, dit is een wonder.

Presto ligt in slaap en wordt niet wakker.


WINDEKIND

Dag Johannes. Wat fijn om je nu uitgerekend vandaag op mijn
verjaardag eens te ontmoeten.


JOHANNES

Gefeliciteerd, en hoe heet je?

WINDEKIND

Ik heet Windekind en ik heet zo omdat ik geboren ben uit
de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon.

JOHANNNES

Wil je mijn vriend zijn?

Achter Windekind is de grote ondergaande zon nog net te zien.
Windkind draait zijn hoofd naar de horizon waar achter de bomen
de bijna volle maan is verschenen. Windekind kijkt wat gefronst
naar de maan.

WINDEKIND

Kom, kom lieve moeder, kijk niet zo boos. Ik kan Johannes
vertrouwen, hij is mijn vriend. 

Windekind wenst zich weer tot Johannes.

Ze vindt het eigenlijk niet goed dat ik met je praat. Maar
je mag me nooit, nooit mijn naam aan een mens noemen, of
over me praten. Beloof je dat?

Johannes knikt.

WINDEKIND

Dat is dan afgesproken.

Windekind tikt Johannes met de irisbloem op zijn wang. Windekind
stijgt eventjes op en buitelt lachtend door de lucht.

Ik heb je hier vaak gezien. En weet je waar ik dan was? Soms zat
ik tussen de dichte waterplanten en zag ik hoe je naar de watertorren
en de salamanders keek. Of ik keen vanuit een leeg vogelnestje door 
het raam van je slaapkamer en dan zag ik hoe je voor je vader en voor
Presto een gebedje deed. (lachend) Maar mij heb je nooit gezien!

En nu worden we goede vrienden en ik zal je veel vertellen. En
ik zal je meer leren dan de domme dingen die de meester je op
school wijsmaakt. Ik zal het je allemaal laten zien en horen,
en ik zal je meenemen!

JOHANNES

O, ik mag met je mee! Neem je me dan ook mee naar de wolkengrot?

[ CLOSE-UP: ONDERGAANDE ZON ]

WINDEKIND
(off)

Nu niet Johannes, nu nog niet. Het is ook veel te ver weg. En
je moet niet te veel tegelijk vragen. Ik ben zelf ook nog nooit
bij vander geweest.

JOHANNES
(verbaasd)

Ik ben altijd bij mij vader.

WINDEKIND

Welnee, dat is je vader niet! Wij zijn broers van elkaar en mijn
vader is ook jouw vader. Net zoals oze vader ood de vader is voan
jouw vader. Snap je. Alleen jouw moeder is de aarde en mijn moeder
is de maan. En daarom zijn wij niet hetzelfde. En je bent ook in
een huis bij de mensen geboren en ik in de kelk van een winde. 
(kwasie nadenkend) Het is eigenlijk veel beter om in een winde
geboren te worden, maar ja ... 

Laten we maar gaan.

Windekind kust Johannes op zijn voorhoofd.

Geef me je hand.

[ MUZIEK: betoverend ]

Johannes geeft Windekind zijn hand. Windekind slaat zijn vleugels
uit en trekt de boot voort over het water. 

Hier en daar zit een kikvors op een blad. De kikkers lijken steeds
groter te worden. De boot verdwijnt in het riet. Windekind trekt
Johannes uit de boot en ze klauteren tussen de manshoge helmen
aan las. Johannes is nu net zo klein geworden als Windekind. Johannes
kijkt verwonderd om zich heen.

[EXT/DUINLANDSCHAP/AVOND ]

O, het is heerlijk Windekind! Ik wil altijd bij je blijven.

Ze wandelen door het hoge gras onder donker kreupelhout dat beschenen
wordt door straaltjes maanlicht. Het getsjilp van krekels is hoorbaar.

WINDEKIND

Hoor je dat? Krekels. Het lijkt net of ze muziek maken. En je kan
nooit horen waar het geluid vandaan komt. Weet je waar het vandaan
komt?

JOHANNES

Nee ...

WINDEKIND

Het geluid komt van de krekelschool. Daar krijgen wel honderd
krekels zanglessen. 

Sst ... stil, we zijn er.

[ EXT/KREKELSCHOOL/AVOND ]

Het kreupelhout wordt minder dicht en als Windekind met zijn bloem
de grashalmen uiteenschuift, ziet Johannes een helder verlicht open
plekje. Tientallen jonge krekeltjes zijn bezig tussen het duingras
hun lessen aan het leren. Een grote, dikke krekel is de meester. 
Een voor een springen de leerlingen naar hem toe, altijd met een
sprong heen en een sprong weer naar hun plaats terug. 

Johannes en Windkind blijven aan de rand van de krekelschool kijken.
Onder het ritmische getjip zet een vrolijk muziekje in. 

WINDEKIND

Luister maar goed, je kan er wat van opsteken!

[ MUZIEK: liedje ]

De krekels en de meester beginnen een lied te zingen. De meester stelt
de krekels steeds een vraag. De eerste vraag is, Waaruit bestaat de wereld?
De krekels zingen dat de wereld bestaat uit 26 duinen en twee vijvers. 
De meester stelt steeds weer een nieuwe vraag aan een van de krekels, over
de plantsoorten. Een goed antwoord wordt beloond met een malse grashalm.
In het liedje komen ook vragen aan bod over de dierenwereld. Op het eind
blijkt dat de krekels bovenaan in de dierenwereld staan omdat ze kunnen
springen en vliegen. Dan volgen de kikvorsen. Vogels worden hoogst schadelijk
en gevaarlijk genoemd. Ook de mens wordt besproken. Het is een groot, nutteloos
en schadelijk dier dat zeer laag staat omdat het niet kan vliegen en springen.
De muziek en het liedje houden abrupt op. 

MEESTER KREKEL

Stilte! Springoefening!

Alle krekeltjes beginnen haasje-over te spelen. De dikke meester het eerst.
Johannes lacht en begint in zijn handen te klappen. Op het geluid stuift
de hele school het duin in en wordt het doodstil en leeg op het grasveldje.

WINDEKIND

Ja, dat komt ervan als je je zo opgewonden gedraagt! Je kan wel zien
dat je bij de mensen bent geboren. 

JOHANNES

Sorry, maar ik vond het zo leuk ... 

WINDEKIND

Het wordt nog veel leuker. Let maar op!

[ EXT/DUINLANDSCHAP/AVOND ]

Ze steken het grasveldje over en betreden het duin. De duinrozen bloeien.
Ze zwoegen door het dikke zand. Johannes grijpt de keep van Windekind en
vliegen tegen een heuvel op. Daar bevindt zich een konijnenhol.


[ EXT/KONIJNENHOL/AVOND ]

Bij de ingang van het konijnenhol ligt een konijntje dat rechtop gaat zitten.
Naast de ingang liggen korenhalmen, aardbeien, worteltjes en andere etenswaren.

WINDEKIND

Goeienavond. Dit is mijn vriend Johannes en die zou weleens een konijnenhol
van binnen willen zien?

JOHANNES

Ja, heel graag!

KONIJN
(sloom en verdrietig)

Van mij mogen jullie naar binnen, maar je treft het niet vanavond,
want ik heb mijn hol afgestaan voor een liefdadigheidsfeest. Het is
allemaal zo treurig ...

JOHANNES

Wat is er dan gebeurd?

KONIJN

Een grote ramp! Duizend sprongen hier vandaan is een mensenhuis, zo groot!
En er wonen mensen met honden. ZO GROOT! Er zijn zeven leden van mijn familie
omgekomen. En met de muizen en met de familie van de mol is het nog slechter
afgelopen. En nu hebben we een feest georganiseerd voor de nabestaanden (wijst
naar de berg met etenswaren). Tja, je moet wat over hebben ...

Het konijntje wrijft met zijn pootje een traan uit zijn ogen.

Een logge pad komt naar het hol toescharrelen.

WINDEKIND

Nog zo laat op pad, pad?

De pad bromt wat en legt een korenaar bij de ingang neer en klimt
over de rug van het konijntje het hol in.

JOHANNES

Ik zal ook wat geven.

Johannes haalt een beschuitje uit zijn zak dat nu veel te groot is om
in zijn broekzak te passen. 

KONIJN

Dat is een duur cadeau! Daar zal iedereen heel blij mee zijn.

Het konijn maakt op een eerbiedige wijze de toegang tot het hol vrij.

[ EXT/KONIJNENHOL/AVOND ]

Johhannes loopt met Windekind voorop door de donkere gang. In de verte
horen ze zachtjes muziek. In de verte zien ze een groen lichtje naderen.
Het is een glimworm.

GLIMWORM

Welkom op het grote feest! Ik zal jullie de weg wijzen naar de grote
zaal. Het is niet zo ver. Jullie zijn elven? 

WINDEKIND

Je mag ons als elven aankondigen.

GLIMWORM

Uw koning is ook van de partij.

WINDEKIND

Oberon, die is er ook? Dat is me wat. Hoor je dat Johannes? Ja,
ik ken de koning persoonlijk. 

GLIMWORM
(eerbiedig)

Ik wist niet dat ik de eer had ... Hoe heten jullie?

JOHANNES

Ik heet Johannes en mijn vriend Windekind.

[ INT/FEESTZAAL/AVOND ]

Ze betreden de grote feestzaal die prachtig is versierd. Er zijn
tientallen dieren, konijnen, muizen, padden, krekels, hagedissen,
en ook een aantal elven. Er klink vrolijke muziek en er wordt gedanst.

De glimworm kruipt naar een vleermuis die bij de ingang ondersteboven
aan het plafond hangt. De glimworm fluistert wat in zijn oor. Johannes
en Windekind staan te wachten bij de ingang van de feestzaal. Aan
de zoldering hangen nog meer vleermuizen, dorre bladeren, spinnenwebben
en daartussendoor bewegen tientallen glimwormpjes die de zaal verlichten.

VLEERMUIS

Ik heet de weledelgeboren elven Windekind en Johannes van harte welkom.

Niemand in de zaal kijkt op. 

Johannes en Windkind lopen door het feestgedruis. Windekind groet een
paar elven. Een orkestje van krekels en kevers maken de muziek. De dirigent
is een grote meikever. 

Op het einde van de zaal staat een fraai versierde troon waar de koning
Oberon inzit. Hij praat met wat gasten. 

Windekind en Johannes lopen naar de troon toe. Ze blijven vlakbij staan.

WINDEKIND

Wacht maar even en dan zal ik je zo aan de koning voorstellen.

Oberon is opgetogen en omhelst Windekind en geeft hem een kus. De
elven om hen heen trekken zich met jaloerse blikken terug. Ook de gasten
in de zaal kijken naar de koning en Windekind.

PAD 1

Pff, wat een opscheppers die tweee.

PAD 2

Kruipers zijn het, denken dat ze heel wat voorstellen ...

PAD 1

Ze stellen helemaal niets voor.

PAD 2

Ja, ze stellen zich wel voor, maar voorstellen doen ze niets.
Aanstellers zijn het ...

Windekind praat wat met Oberon. Oberon wenkt Johannes naar de troon.
Johannes gaat naar de koning toe en maakt een kleine buiging.

OBERON

Geef me je hand Johannes. Het is heel bijzonder dat Windekind je
hier mee naartoe heeft genomen. En nog wel op zijn verjaardag!
Windekinds vrienden zijn mijn vrienden. En waar ik maar kan, zal
ik je helpen. En als teken van onze vriendschap geef ik je dit
sleuteltje. 

Oberon haalt van halsketting een gouden sleuteltje en geeft hem
aan Johannes. Johannes sluit het eerbiedwaardig in zijn handen.

OBERON

Dit sleuteltje kan je geluk brengen, Het past op een gouden
kistje dat kostbare schatten bevat. Maar wie dat kistje heeft
weet ik niet. Je moet er zelf naar zoeken. En als je met mij
en Windekind goede vrienden blijft zal je het zeker vinden.

JOHANNES

Dank u wel koning. Ik wil heel graag uw vriend worden en ik
zal heel hard naar het kistje zoeken. 

Het orkestje houdt op met spelen. Een groene hagedis in 
rokkostuum springt op een verhoging en spreekt de zaal toe.

HAGEDIS
(zenuwachtig)

Geachte aanwezigen, mag ik even uw aandacht. Wij vervolgen
ons programma met een wals en ik verzoek een ieder die niet
aan de dans wil meedoen om aan de kant te gaan. Maestro,
muzek!

Het orkestje zet in en de dieren gaan walsend door de zaal.
Iedereen kijkt zeer serieus en de elven naast Oberon kijken
verheven. Johannes heeft een glimlach om zijn mond. Windekind
geeft hem een por en dat hij niet zo vrolijk moet kijken.
Dan danst er voor Johannes een kleine kikker met een lange
hagedis. De hagedis tilt de kikkers steeds heel hoog op.
Johannes barst in lachen uit. 

Iedereen kijkt verschrikt op en de muziek stopt. De hagedis
snelt naar Johannes.

HAGEDIS

Mag ik u vriendelijk en dringend verzoeken om niet te lachen.
Dansen is een ernstige zaak en zeker op deze droeve avond.
Denkt u dat we hier voor de lol dansen? 

JOHANNES

O, sorry. Natuurlijk danst u niet zomaar voor uw plezier.

HAGEDIS

Hmm. U bent hier op een treurfeest en dient zich hier
fatsoenlijk te gedragen. U moet niet doen alsof u bij
mensen op bezoek bent!

Johannes schrikt en overal ziet hij vijandige blikken. Ook
Oberon kijkt verstoord, maar geeft Johhannes een knipoog.

De dirigent tikt af en het orkestje begint weer te spelen.
Iedereen begint weer statig te dansen. Windekind trekt  
Johannes naar de uitgang van de zaal. 

WINDEKIND
(zuchtend)

Laten we maar snel weggaan. Je hebt het weer gedaan, Kleine
Johannes. Maar het is niet helemaal je eigen schuld, want
vrienden van Oberon, zoals jij en ik, hebben nu eenmaal
veel vijanden. En jaloers dat ze kunnen zijn!

[ INT/KONIJNENHOL/AVOND ]

Windekind en Johannes lopen weer door de donkere gangen van
het konijnenhol. De glimworm gaat hen weer voor.

GLIMWORM

En heb je plezier gehad?

JOHANNES

Het was ... toch geweldig. Ik ben nog nooit op zo'n bijzonder
feest geweest.

GLIMWORM

Ach, voor mij hoeft het allemaal niet. Ik houd niet meer
van feesten. Ja, vroeger kon ik er geen genoeg van krijgen.

[ JUMP-CUT ]

[ EXT/KONIJNENHOL/AVOND ]

Johannes, Windekind en de glimworm staan buiten in het maanlicht.
Het konijntje zit nog voor het hol.

JOHANNES

Waarom hield u vroeger wel van feesten, ... meneer Glimworm?

GLIMWORM

Dat is een treurig, heel verdrietig verhaal. Ik kan het beter
maar niet vertellen.

JOHANNES

Nee graag, ik wil het verhaal horen!

KONIJN
(opgewekt)

Ja, een treurig verhaal. Ik houd zo van treurige verhalen.

GLIMWORM

Goed dan. Laat ik julie dan eerst de volgende vraag stellen:
Kunnen jullie licht geven?

Johannes, Windekind en konijn schudden van nee.

Precies! Dan zullen jullie wel begrijpen dat wij de meest
bijzondere wezens zijn. Licht geven is namelijk de beste
gave die God heeft gegeven. We hebben dan ook bijna geen
vijanden. We hebben er eigenlijk maar een, en dat is de
MENS!, Dat allerlaagste dier dat er bestaat. Dat vreselijke
gedrocht van de schepping ... 

Johannes kijkt vragend naar Windekind. Windekind brengt
zijn vinger naar zijn lippen om verder te zwijgen. 


[ DISSOLVE NAAR: Verhaal van de glimworm. Representatie
in een andere animatie-vorm. ]

[ EXT/SLOOTKANT/AVOND ]

GLIMWORM
(off)

Eens op een mooie avond vloog ik rond als een helder
licht tussen de donkere struiken. En op een verlaten
grasveldje aan de oever van een sloot woonde mijn
geliefde. Ik vloog om haar heen en probeerde met mijn
glans haar aandacht te trekken. En ze beantwoordde
mijn licht met een wenkende glimlach. Maar net toen
ik bij mijn stralende geliefde wilde neerdalen werd
de lucht opgeschrikt door een vreselijk geluid. 
Donkere schaduwen vielen over ons heen. Het waren
mensen! Ik sloeg op de vlucht, ze kwamen achter me
aan en sloegen naar me met grote zwarte dingen. Ik
vloog en vloog zo hard ik kon en kon ik de mensen
van me afschudden. En toen ik later terugkwam bij 
de sloot ... 

[ TERUG NAAR: Het konijnenhol ]

Johannes, Windekind en het konijn kijken bedroefd.

GLIMWORM

Jullie zullen het wel begrijpen ...

[ TERUG NAAR; Het verhaal van de glimworm ]

GLIMWORM
(off)

Inderdaad, mijn mooiste bruid, de mooiste worm
van alle glimwormen was verdwenen. Haar geliefde
plekje was vetrapt en leeg. Ik was alleen op de wereld.

[ TERUG NAAR: Het konijnenhol ]

GLIMWORM

Sinds die tijd ben ik veranderd. En ik walg van feesten
en van vrolijkheid. Ik denk alleen maar aan haar en aan
de tijd dat ik haar weer zal zien.

KONIJN

O, denk je dat je haar weer zal zien?

GLIMWORM

Daar ben ik heel zeker van. Daarboven zal ik haar
weer zien. 

[ CLOSE UP: Twinkelende sterrenhemel ]

KONIJN
(off)

Maar hoe weet je dat?

GLIMWORM
(off)

Ik begrijp het konijn. Voor iemand zoals jij, die
altijd in het donker zit, dan twijfel je misschien.
Ik weet het zeker. Kijk maar daar!

Een kleine ster schittert fel op.

Daar zijn al mijn voorvaderen, familie en vrienden.
En daar ergens tussen straalt mijn geliefde.

[ CLOSE UP: Het gezicht van de glimworm ]

En ik wacht nu tot ik zelf naar haar toe kan
vliegen. (zucht diep) De vraag is alleen, wanneer?

Het glimwormpje kruipt weer het hol in en herhaalt
nog een paar keer. Wanneer, wanneer?

KONIJN

Arme glimworm. Ik hoop dat hij gelijk heeft.

JOHANNES

Ik hoop het ook.

WINDEKIND

Ik weet het niet, maar het was een aandoelijk verhaal.

Op de berg met cadeaus naast de ingang ligt ook het grote beschuitje.

KONIJN
(gaapt)

Ik ga maar weer mijn konijnenholletje opzoeken. Het ga jullie
goed. En nog bedankt voor het grote cadeau.

Het konijntje verdwijnt in het hol.

[ EXT/DUINLANDSCHAP/AVOND ]

Johannes en Windekind lopen over het duin.

JOHANNES

Ik ben ook zo moe. Ik heb zo'n slaap.

Windekind gaat op een stukje mos liggen.

WINDEKIND

Kom maar, kom maar naast me liggen.

Johannes gaat naast hem liggen en houdt het gouden sleuteltje
goed in zijn hand vast. Windekind slaat zijn keep over Johannes
heen. Johannes doet zijn ogen dicht en valt in slaap.

[ CLOSE-UP: Van de volle maan ]

WINDEKIND
(off)

Welterusten moeder.

[ FADE NAAR ZWART ]

Het geluid van een krekel is hoorbaar. Het zwarte beeld houdt aan.

[ FADE UP ]

[ EXT/TUIN/DAG ]

Johannes ligt ergens midden in de tuin van zijn huis te slapen. 
De hond Presto staat naast hem te blaffen. Johannes wordt wakker.

JOHANNES

Koest Presto.

Johannes opent zijn hand en daar zit het gouden sleuteltje in.

JOHANNES

Het is waar Presto! Het is toch echt waar!

Johannes staat op en rent met Presto achter zich aan de tuin door.

[ INT/KEUKEN/DAG ]

Voorzichtig opent Johannes de keukendeur. Presto schiet de keuken in.
Aan de keukentafel zitten zijn vader en Anna. Anna staat op en neemt
Johannes snikkend in haar armen. 

ANNA

Waar heb je gezeten! We waren zo ongerust!

VADER

We hebben de hele nacht naar je gezocht. We waren heel
erg ongerust! Dringt dat tot je door. Waar ben je vannacht geweest?

Johannes zegt niets en houdt zijn mond dicht.

Goed. We hebben de boot aan de andere kant van de vijver gevonden.
Begrijp je wat dat had kunnen betekenen?

... Vanaf nu verbied ik je om ooit nog met de boot te varen.
En het het lijkt me het beste als je de komende weken 's avonds
binnenblijft. Het is niet de eerste keer. En geen nachtelijk 
slaapwandelingen meer. Dat moet je mij en Anna beloven!

Johannes blijft zwijgen en hij knijpt zijn hand waar het 
sleuteltje inzit hard dicht.


[ INT/WOONKAMER/DAG ]

De vader en Anna zitten aan de eettafel met het ontbijt.
Johannes staat naast de piano.

VADER

Ik wil dat je het nu belooft!

JOHANNES
(heel zachtjes)

Dat kan ik niet ...

ANNA
(boos)

Is ie gek geworden? Johannes, je moet het beloven!

JOHANNES
(schreeuwend)

DAT KAN IK NIET!

VADER

Kom is hier ...

De vader staat op van tafel en drukt Johannes tegen zich aan.
De vader doet zijn ogen dicht. 

JOHANNES

Ik kan niets beloven.

De vader doet zijn ogen open en ziet nu de vrouw van het schilderij
achter de piano zitten. Ze lacht. De vader pakt een gesmeerde
boterham van tafel en geeft hem aan Johannes.

VADER

Het is goed Johannes. Je moet opschieten, je moet naar school.
Johannes rent de kamer uit. De vader kijkt naar de piano waar
niemand achter zit.

[ INT/SLAAPKAMER/DAG ]

MUZIEK: Melancholieke pianomuziek ]

Johannes legt de boterham op een tafeltje. Hij stopt het sleuteltje
tussen de bladzijden van het boek Reis naar de maan. Hij pakt een
zakmes en snijdt een stuk af van het dunne gordijnkoord bij het raam. 
Hij haalt het sleuteltje uit het boek bindt die aan het koord dat
hij vastknoopt. Hij doet het koord om zijn nek. 

[ EXT/DUIN/DAG ]

Johannes rent over het duin met zijn schooltas. Hij eet van zijn
boterham. 

[ EXT/SCHOOLPLEIN/DAG ]

Hij rent het verlaten schoolplein over en gaat de school binnen.

Johannes gaat de klas binnen en gaat achterin zitten. De meester
kijkt boos en praat tegen Johannes. Johannes loopt naar het 
schoolbord dat naast de meester hangt. Op het bord staan moeilijke
sommen. De meester geeft Johannes een krijtje en wijst naar de
sommen. Johannes schudt zijn hoofd en geeft het krijtje terug.
De meester blijft boos kijken. Hij schrijft op het bord. 

Mijn onoplettendheid is groter dan de heerlijke zon die nu niet buiten
voor mijn schijnt. En daarachter, 100 x.

De leerlingen staan op en verlaten de klas. Ze kijken minachtend
naar Johannes. 

[ JUMP CUT ]

Johannes zit alleen in zijn bankje en schrijft de tekst van het
bord over. De klas is verder helemaal leeg. 

Johannes ziet een muisje lopen over de vensterbank en stopt met
schrijven. Het muisje zit op zit op zijn tafeltje.

[ MUZIEK: De pianomuziek houdt abrupt op ]

JOHANNES

Ben je niet bang voor me?

MUISJE

Ik zou niet weten waarom.

JOHANNES

Kom je van Windekind?

MUISJE

Ik kom je vertellen dat je goed je mond moet houden. 
Je moet goed op tijd op school komen, aan langslapers
en dromers zoals jij heeft niemand wat. En pas op
voor mensen, die willen het liefst alles vangen en
doodtrappen. Ik weet daar als muis alles van.

JOHANNES

Maar waarom kom je dan bij ze in de buurt? Waarom
ga je niet de bossen in?

MUISJE

Ach, dat kunnen we niet meer. We zijn te veel gewend
aan het stadsvoedsel en in het bos heb je weer uilen
en sperwers. We zijn gelukkig nogal vlug en dood
gaan we allemaal ...

De meester komt er zo weer aan, dus onthoudt het goed,
vertel de mensen niets, ook niet aan je vader!

Het muisje springt op de vensterbank.

JOHANNES
(fluisterend)

Ga nog niet weg! Vraag aan Windekind wat ik met mijn
sleuteltje moet doen. Ik ben zo bang dat iemand het
zal vinden. Waar kan ik het veilig verstoppen?

MUISJE

Onder de grond, altijd onder de grond. Zal ik het
voor je bewaren?

JOHANNES

Nee, niet hier op school.

Er klinken voetstappen op de gang. 

Begraaf het dan in de duinen. Ik zal aan mijn neef
vragen of hij er op wil passen. 

Johannes knikt instemmend en het muisje trippelt weg.
De deur van het klaslokaal gaat open en de meester
komt binnen. Johannes schrijft weer driftig in zijn
schriftje. 

[ INT/SLAAPKAMER/AVOND ]

Johannnes zit bij het raam en kijkt naar buiten. De
avond valt. 

JOHANNES

Windekind, waar ben je? Kom me helpen? Ik heb je
nodig. Windekind ... 

Er ruist een zachte vleugelslag en Windekind daalt
neer op de vensterbank. 

JOHANNES

Gelukkig, daar ben je.

WINDEKIND

Je gaat met me mee, we gaan je sleuteltje begraven.

[ EXT/LUCHT/AVOND ]

[ MUZIEK: Sprookjesachtig ]

Windekind pakt Johannes bij zijn arm, wordt weer klein en
samen vliegen ze laag over de vijver, de duinen door 
de avondlucht. 

JOHANNES

O, wat is het heerlijk ...

WINDEKIND

Kijk, daar beneden loopt de meester van de krekelschool.

De dikke meester springt door het duin.

BOEM!

[ MUZIEK STOPT ]

Een dikke meikever vliegt tegen Johannes op. Met zijn
drieeen blijven ze in de lucht stilhangen. 

MEIKEVER

Kun je niet uitkijken. Altijd die elven die denken dat
de hele lucht van hun is. Dat krijg je van nietsnutten
die alleen maar voor hun plezier rondzwerven. Neem
een voorbeeld aan mij. Ik doe altijd mijn plicht en
zoek naar eten en eet zo hard als ik kan. 

JOHANNES

O, neemt u mij niet kwa ...

De meikever is al weer doorgevlogen.

JOHANNES

Wat een vette meikever! Waarom moet ie zoveel eten?

WINDEKIND

Veel eten doen alle meikevers, dat is hun natuur. Zal ik
je het verhaal van de jonge meikever vertellen?

JOHANNES

Ja graag.

Ze vliegen weer verder.

[ MUZIEK ]

[ DISSOLVE NAAR: ]

[ EXT/GRASLAND/DAG ]

De beelden van het verhaal van de meikever worden weergegeven
in een eenvoudige, zwart-witte paper-animatie met silhouetten.

WINDEKIND
(off)

Er was eens een mooie, jonge meikever. Na een jaar onder
de grond te hebben gezeten, stak hij voor het eerst zijn
kopje boven de grond. Maar hij wist niet wat hij moest doen.
Hij kroop wat rond en gelukkig kwam hij al gauw een andere
meikever tegen. Die was al een dag eerder uitgevlogen en
was dus al heel oud. De jonge meikever vroeg, Dag meneer,
mag ik vragen wat een meikever zoal doet, ik weet het niet.
Zo, zo, sprak de oude meikever, Weet je dat niet? Ik snap
het wel, want ooit ben ik ook zo geweest. Luister goed.
De hoofdzaak van het leven van een meikever is ETEN, veel
eten!

Johannes lacht.

Het is niet om te lachen. Het is een ernstige zaak.

Maar goed. De oude meikever zei, Niet ver hier vandaan
is een grote lindehaag en die is er voor ons neergezet
om er zoveel mogelijk van te eten. Heel lekker. Maar wie
heeft die lindehaag daar dan neergezet, vroeg de jonge
kever. Wel, een groot wezen heeft dat gedaan, die heeft
het beste met ons voor. 

Iedere morgen komt hij langs de haag en wie dan het
meeste heeft gegeten neemt hij mee in zijn heerlijke huis.
Er schijnt daar een prachtig ligt en alle meikevers
zijn daar gelukkig met elkaar. Maar wie niet veel eet
en de hele nacht blijft rondvliegen, die wordt door
een vleermuis gevangen. Een vleermuis? Wie is dat,
vroeg de jonge kever.

Dat is een vreselijk monster met scherpe tanden die
je achter je aankomt en je in een hap verslindt!
Dus denk erom, hoe meer je eet, hoe eerder je in
het huis met het heldere licht terechtkomt.

[ TERUG: Naar Johannes en Windekind in de lucht ]

WINDEKIND

Weet je wat een roeping is Johannes?

JOHANNES

Nee ...?

WINDEKIND

Dat wist de jonge kever ook niet. Een paar uur
later was hij naar de lindehaag gekropen. Hij voelde
en moest naar boven, dat was zijn roeping dacht ie.

TERUG: Naar verhaal meikever ]

Hij stond op het topje van een grashalm en wat een
uitzicht had hij hier. Maar hij wilde nog hoger.
Dat was namelijk ook zijn roeping. Hij sloeg voor
het eerst zijn vleugels uit en hoe-hoe, daar vloog
hij vrij en vrolijk door de avondlucht.

[ TERUG: Naar Johannes en Windekind in de lucht ]

WINDEKIND

Tot zover ...

JOHANNES

Maar hoe liep het af?

WINDEKIND

Het liep slecht af, dat vertel ik je een andere keer.

Er vliegen twee vlinders naar ze toe.

VLINDER 1

Waar vliegen jullie naar toe?

WINDEKIND

We zijn op weg naar de grote duinroos. 

VLINDER 2

Dan fladderen we met jullie mee.

Ze vliegen naar beneden en komen bij de grote 
duinroos die een lief gezicht heeft. De vlinders
kussen een paar bloemen. Er schiet een veldmuisje
te voorschijn.

VELDMUISJE

Ik verwachtte jullie al. Ik zal een gangetje 
graven en het sleuteltje veilig verbergen.

Johannes haalt de koord met het sleuteltje
van zijn nek en geeft het aan het Windekind.
Windekind richt zich tot de duinroos.

WINDEKIND

Zou u voor mijn vriend Johannes op dit kostbare
sleuteltje willen passen? 

DUINROOS
(vrouwenstem)

Natuurlijk, ik zal het goed beschermen. Ik heb
scherpe doornen.

Het muisje is klaar met graven en Windkind geeft
hem het sleuteltje. Het muisje gaat het gangetje
weer in met het sleuteltje en komt snel weer terug.

JOHANNES

Bedankt allemaal en als ik het sleuteltje nodig
heb, dan zal ik dat jullie gelijk weten.

VELDMUIS

Vertel maar tegen mijn neef, ik sta altijd voor
jullie klaar. 

De twee vlinders vliegen weer de lucht in. 

WINDEKIND

Kom Johannes, je gaat weer naar huis, want anders
wordt je vader weer boos en ongerust. 

Windekind en Johannes vliegen als silhouetten door
de lucht. het getik van een klok is te horen. 

JOHANNES

Maar ik wil niet naar huis!

WINDEKIND

Je moet echt naar huis.

JOHANNES

Maar wanneer zie ik je dan weer?

WINDEKIND

Je moet geduld hebben en het zal even duren voordat
we elkaar weer zien.

Geluid van de klok: Tik tak, tik tak ...

[ MUZIEK]

[ INT/SLAAPKAMER/DAG ]

Johannes schrikt wakker en komt overeind in zijn bed.
Hij voelt om zijn nek en het koord met het sleuteltje is weg.
Johannes lacht. 

[ INT/WOONKAMER/DAG.

Johannes staat in de kamer en voor hem staat een man
met een jas aan en hoed op. Naast hem staat een dokertskoffer.
De dokter kijkt in Johannes zijn mond. Luistert met een stethoscoop
op zijn rug. Hij geeft Johannes een aai over zijn hoofd. 

De dokter en de vader van Johannes staan bij de keukendeur.
Ze praatten, de dokter glimlacht en geeft de vader een hand.

[ INT/SLAAPKAMER/DAG ]

Johannes zit met zijn kleren aan achter zijn bureautje. Daarop
liggen schriftjes met sommen. Hij pakt een grote schelp en
houdt hem aan zijn oor. 

[ INT/SCHOOLLOKAAL/DAG ]

De kinderen staan in een lange rij voor de klas en de leerlingen
geven om de beurt een hand aan de meester. Johannes staat achteraan
met de schelp in zijn hand. Op het schoolbord staat groot geschreven.
ZOMERVAKANTIE.

Johannes geeft als laatste de meester een hand. De meester glimlacht
en geeft Johannes een schouderklopje.

[ INT/DUINEN/DAG ]

Johannes loopt over het duin. 

Johannes zit op de roeiboot die nu in de tuin ligt. Presto is bij
hem. Johannes ziet op de boot een lieveheersbeestje en praat tegen
het beestje. 

Johannes en Anna slepen een grote staande klok door het luik de
zolder op. 

Johannes en zijn vader zitten in de woonkamer, het is avond. 
De vader leest voor uit Reis naar de maan. Johannes kijkt afwezig.
Hij ziet een muisje langs de plint trippelen. Johannes staat op.

Johannes zit aan zijn bureautje en kijkt door een microscoop.
Beelden van de krioelende amoebes.

Johannes en Anna zitten in de keuken en halen de kronen van
aarbeien af. Anna praat tegen Johannes. Aan de muur van de
keuken hangt een kleine kalender. Er staan 30 juni op. Het
blaadje valt naar benenden en nog een en nog een. Het is nu
19 juli.

De muziek houdt op.

[ INT/ZOLDER/AVOND ]

Op de zolder staan de klok en de kachel naast elkaar. Ze hebben
een gezicht. 

KACHEL

Tjonge jonge, wat duurt zo'n zomer toch lang. Ik zit vol
spinnenwebben. En ik heb in geen weken Johannes gezien.

KLOK

Ik heb nu alle tijd sinds mijn klepel het heeft begeven.
Johannes zou willen dat de tijd voorbij vliegt.

KACHEL

Ja, hij is zo alleen. Hij zal wel weer naar school willen.
Wij hebben elkaar nog.

KLOK

Johannes graag naar school? Welnee, hij wacht al de
hele tijd op zijn elvenvriend. Ik hoop dat hij de hoop
nog niet heeft opgegeven.

KACHEL

Er is altijd hoop, ook op koudere tijden. Het duurt
nog even en dan kan ik straks weer in de kamer 
gloeien en loeien.

KLOK

Ik ben bang dat mijn tijd er voor altijd op zit. 
Mijn laatste uur heeft geslagen. 

KACHEL

Je weet het niet, er is altijd hoop op betere tijden.

KLOK

Als je ouder wordt dan heb je niet veel meer hoop,
je hebt alleen nog maar een beetje tijd. Was ik
nog maar zo jong als jij en Johannes, dan had ik
nog alle tijd ...

Het luik van de zolder gaat open. Johannes loopt
over de zolder. De kachel en de klok zijn weer
gewone voorwerpen. 

Johannes gaat bij het raam zitten. Er vliegen
duiven over het huis. En nog een keer. Een duif
daalt naar het raam van Johannes en zit op de
rand. In zijn vleugel heeft hij een rood veertje.
Met zijn snavel pikt hij het veertje uit zijn
vleugel en legt het voor Johannes neer. Johannes
pakt het op en hij wordt weer klein en opgetild
in de lucht. Hij vliegt met de duiven de duinen
over.

[...]

__

Link Inleiding - Treatment - Synopsis
Boekadaptatie De Kleine Johannes van Frederik van Eeden 1887 - De Jongenskamer

DirkJan Vos: d.vos35@chello.nl 1996 - 2015


( klik op logo voor HOMEPAGE )