DirkJan Vos - d.vos35@chello.nl

Amsterdam - Den Haag 1960

De Sneeeuwkoningin


{ Wat hieraan vooraf ging vertel ik binnenkort nog. Hoe het afloopt zal ik ook sneller vertellen dan je denkt. Het enige wat je nu hoeft te weten is dat de Koning van De Trollen - die hoog boven de wolken woont - met een sardonisch genoegen een toverspiegel kapot heeft laten vallen en waarvan de miljoenen splinters over de aarde zijn verspreid ... En wie een splinter in z'n oog krijgt die vindt dan alles wat mooi was lelijk en wie een splinter in z'n hart krijgt, die ervaart de wereld en de mensen alleen nog als een ijs-en ijskoude werkelijkheid ... En op een dag: } Er woonden eens in een grote stad twee arme kinderen. De jongen heette Kay en het meisjes heette Gerda. Ze waren geen broer en zusje, maar ze hielden net zoveel van elkaar of zij het wel waren. Het was winter geworden en buiten joeg de sneeuw langs de huizen. Kay zat voor het raam en keek naar de sneeuwvlokken. Er viel een grote sneeuwvlok vlak voor het raam op een bloembak. De sneeuwvlok werd steeds groter en veranderde in een vrouwengedaante: ze was mooi en fijn en ze was gekleed in een witte mantel dat wel uit miljoenen sterrevlokjes leek samengesteld. Haar ogen staarden als heldere sterren maar er straalde geen rust uit. Zij knikte naar Kay en wenkte hem. Kay schrok ervan en rende snel naar zijn slaapkamertje. De volgende dag viel de dooi in en kwam het voorjaar en daarna de zomer; de zon scheen, de zwaluwen bouwden hun nestjes, de rozen bloeiden mooier dan ook en alle kinderen waren vrolijk en speelden weer buiten. Kay en Gerda zaten buiten en bekeken een mooi prentenboek met beesten en vogels. Toen sloeg de kerkklok precies drie uur en Kay zei plots: "Au, ik voel iets in m'n hart en er zit ineens iets in m'n oog!" Gerda sloeg haar armen om Kay z'n hals en keek, Kay knipte met z'n ogen, maar er was niets te zien. "Ik geloof dat het weg is", zei hij, maar het was niet weg. Die arme Kay, hij had niet alleen een splinter van de trollenspiegel in z'n oog gekregen, maar ook een splinter had hem midden in z'n hart getroffen. "Kijk eens", zei Kay, "kijk eens naar die rozen Gerda. Wat een lelijke rotbloemen." "Wat doe je nou", riep Gerda en Kay rukte de rozen af en vertrapte ze onder z'n schoenen. Toen Gerda later weer in het prentenboek wilde lezen zei Kay dat ie 't maar een stom boek vond voor baby's. Want Kay was toch geen baby meer. Kay werd heel anders dan vroeger en hij was een regelrechte pestkop geworden. Hij kon alle mensen in de straat nadoen en alles wat gek en lelijk aan ze was kon ie precies zo naspelen, zodat de mensen zeiden dat er 'vast een pienter kopje op die jongen zat'. Maar het was het stukje glas in z'n oog en in z'n hart, daardoor kwam 't dat ie zelfs de kleine Gerda plaagde die met haar hele hart zoveel van 'm hield. En Kay wilde veel leren en veel weten. Op een winterdag hield hij een grote sneeuwvlok onder een vergrootglas en zei, "Kijk eens Gerda, kijk eens hoe mooi zo'n sneeuwkristal eruit ziet, het is veel mooier dan echte bloemen. Er is geen enkele fout aan en ze zijn precies zoals ze moeten zijn, als ze maar niet smelten". De volgende dag ging Kay met z'n sleetje naar het grote plein om er met de grote en stoere jongens te spelen. En terwijl ze aan het spelen waren verscheen er een grote, witte slee die getrokken werd door drie grote rendieren en waarin iemand zat die helemaal ingepakt was in een ruige, witte pels en met een grote witte bontmuts op. De slee reed driemaal het plein rond en Kay bond snel z'n sleetje eraan vast om mee te rijden, net zoals de grote jongens ook wel deden bij een boerenkar of koets. Kay gleed mee op z'n sleetje en het ging sneller en sneller. Degene op de slee draaide zich om naar Kay en knikte vriendelijk; het was net alsof ze elkaar kenden. En zo reden ze regelrecht de stadspoort uit. Het begon te sneeuwen en de slee vloog over de velden en door de bossen. Kay was bang en de sneeuwvlokken werden groter en groter. Plots hield de slee in en de onbekende legde een hand op Kay z'n schouder. "Je hoeft niet bang te zijn en heb je 't nog koud?" Kay knikte angstig. De onherkenbare gedaante kuste hem op z'n voorhoofd. De kus voelde kouder aan als ijs en het leek alsof ie dood ging, maar nu voelde ie ineens de kou niet meer. En nu zag Kay dat de onbekende de vrouw was die ooit voor het raam had gezien. Ze was zo mooi en Kay kon zich geen verstandiger, liever en perfecter gezicht voorstellen. Hij was helemaal niet bang meer en hij vertelde honderduit, dat ie uit het hoofd kon rekenen - ook met breuken- en dat ie heel goed kon lezen en schrijven en over Gerda. Kay kreeg nog een kus van de voorname vrouw en toen was hij iedereen van thuis en ook de kleine Gerda vergeten. En zo vlogen ze verder door het donkere luchtruim, over zee=89n, bossen en verre landen. Onder hen loeide de koude storm, de wolven huilden, de sneeuw fonkelde en daaroverheen vlogen de zwarte krassende kraaien. En over dit alles scheen de maan groot en helder in de lange, lange winternacht. En toen het ochtend werd sliep Kay aan haar voeten in de slee, aan de voeten van De Sneeuwkoningin. { Psst... } Niemand wist waar Kay was gebleven en vele tranen werden vergoten. De kleine Gerda huilde lang en innig. Toen zeiden ze dat Kay dood was: hij was buiten de stad in de rivier verdronken. En op mooie zomerdag deed Gerda haar nieuwe rode schoentjes aan en ging naar de rivier. "Is het waar dat jij mijn vriendje hebt weggenomen? Je mag m'n rode schoentjes hebben als je hem aan me terug geeft." Ze wierp haar schoentjes in het water, maar de golfjes droegen ze weer direct naar de oever, naar Gerda terug. Het was alsof de rivier wilde zeggen... [ Kay is meegenomen door De Sneeuwkoningin naar haar ijspaleis in Lapland en waar ie vast wordt gehouden. Gerda gaat naar hem op zoek en via lange omzwervingen bevrijdt ze Kay uit de duivelse klauwen van De Sneeuwkoningin ] Midden in de lege, eindeloze sneeuwzaal was een bevroren meer, dat was gebarsten in 1000 stukken, maar elk stuk was gelijk aan het andere alsof het een kunstwerk was. Daar bovenop zat De Sneeuwkoningin als ze thuis was. De kleine Kay was helemaal blauw en zwart van de kou. Hij liep te sjouwen met de symmetrische ijsblokken en iedere nacht probeerde hij er het woord 'eeuwigheid' mee te leggen. Kay zou net zolang de gevangene -en geliefde- van De Sneeuwkoningin blijven totdat hij het woord kon leggen, kon laten zien, zou kunnen aantonen. De Sneeuwkoningin had gezegd: "Als je voor mij die figuur kan vinden, dan zul je eigen meester zijn en schenk ik je de hele wereld". Maar Kay kon het niet. Toen was het dat de kleine Gerda het ijselijke slot betrad, net op het moment dat De Sneeuwkoningin op een verre reis was. En daar zat Kay; stil, stijf en koud. Toen huilde Gerda warme tranen die op Kay z'n borst vielen, ze drongen in zijn hart, ze ontdooiden de ijsklomp en verteerden het glassplintertje. Kay barstte in tranen uit en nu herkende hij Gerda weer. "Waar ben je zolang geweest", sprak ie radeloos. "Wat is het hier koud en leeg". De tranen van Kay zelf spoelden ook de splinter uit zijn oog weg. Ze lachten en dansten van vreugde en net toen zij zich te slapen wilde leggen -in afwachting om de volgende morgen naar huis te reizen- legden ze ineens het onmogelijke woordfiguur 'eeuwigheid' met de ijsblokken: en daar stond Kay's vrijheid in glinsterende ijsstukken geschreven; De Sneeuwkoningin kon niets meer met hem uitrichten: Kay was vrij! En zo vertrokken Kay en Gerda naar huis. Na een lange reis gingen zij weer de stad binnen en betraden ze hun ouderlijk huis. De klok zei tik-tak en de wijzer draaide. Maar toen zij de kamer betraden merkten ze dat ze grote mensen waren geworden. De rozen in het dakgoot bloeiden voor de open ramen en daar stonden hun kinderstoeltjes. Kay en Gerda gingen elk op hun eigen stoeltje zitten en hielden elkaar vast; als een verre droom waren ze de koude, lege heerlijkheid bij De Sneeuwkoningin vergeten. En daar zaten de twee volwassenen en toch nog zo kinderen, kinderen waren het, kinderen in hun hart, en het was zomer, de heerlijke zomer. [ Vrij -en zwaar ingekort- naar De Sneeuwkoningin van Hans Christian Andersen geschreven in 1844, gelezen in een vertaling van W. van Eeden: 1975 Van Holkema & Warendorf - Bussum ] nl.eeuwig.september

DirkJan Vos - d.vos35@chello.nl