KLEIN DUIMPJE





. 

Er was eens arme familie en die woonde in een klein huisje,
ergens in een groot bos. De vader was houthakker en de moeder
had de dagelijkse zorg voor hun 7 lieve jongetjes. De hele dag 
was ze bezig met wassen, strijken, opruimen en koken. Ze hadden
het niet zo breed, maar toch wist ze iedere dag 9 hongerige
mondjes te voeden. En dan was er nog het jongste kindje van
de familie die bij zijn geboorte zo klein was als een duimpje.
En hij wilde niet verder groeien, en daarom noemden ze hem 
Klein Duimpje. Hij was wel het jongste, maar ook het slimste 
kindje en hoewel die natuurlijk niet veel hoefde te eten was 
hij toch het zorgenkindje van zijn moeder.

.. 

 Het was een koude herfst geworden en alle bomen en al het hout 
waren door de aanhoudende regen nat en onbruikbaar geworden om 
mee te kunnen stoken. En de mensen kochten nu niet meer het gekapte 
hout van de houthakker. En al snel was al het geld en al het eten
op. 'Wat moeten we nu doen?', huilde de moeder 's avonds toen de
kinderen al naar bed waren. Klein Duimpje hoorde het gehuil van 
z'n moeder en heel stilletjes was ie achter de deur gaan luisteren.
'Ik weet 't niet vrouw. Voorlopig zullen we ook geen geld krijgen of
eten kunnen kopen. Ik denk dat 't maar het beste is als we de jongens
morgen ergens diep in het bos achterlaten en misschien dat een
rijke man of vrouw ze dan meeneemt...'. De moeder begon nog 
harder te huilen van verdriet en ze vreesde dat de wolven ze zouden
kunnen opeten. Maar na lang praten liet de vrouw zich door
haar man overhalen. Klein Duimpje schrok hevig van de plannen
van zijn vader en moeder en gelukkig kreeg hij een goed idee.
Toen iedereen lag te slapen sloop Klein Duimpje naar de buitendeur
en in de gure herfstnacht raapte die twee handjes met witte
kiezelsteentje op, deed ze in z'n zakken en ging weer snel
naar zijn bedje.

...

 De volgende morgen zei de vader dat hij met de jongens in het
bos hout ging halen. De moeder gaf met diepe pijn in haar hart ieder
kind een witte boterham mee en Klein Duimpje gaf ze nog een extra
lief knuffeltje. En zo trok de vader met zijn zoontjes via om-en
dwaalweggetje naar de diepste en donkerste plek in het bos.
De vader ging hout hakken en de jongens moesten takken verzamelen.
En toen de jongetjes op pad gingen, sloop de houthakker weg en
keerde hij alleen terug naar zijn arme vrouw.
 Toen het donker begon te worden kwamen de 7 jongetjes weer bij
elkaar en tevergeefs probeerden zij hun vader te vinden. Klein
Duimpje vertelde niet alles wat hij wist, maar hij zei dat
hij op de heenweg steeds een wit steentje op de grond had laten vallen
en dat ze op die manier weer de weg naar huis terug konden vinden.
En zo gingen de jongens opgelucht weer op weg.
 En wat een geluk bij een ongeluk, want toen de vader thuis was
gekomen lagen er tien zilverstukken op tafel. Maar de moeder
schreeuwde het uit van verdriet: eindelijk had de leenheer betaald en
van dat geld hadden ze weken kunnen eten. Maar waar waren haar lieve
kindertjes?

....

 Het was avond geworden en de 7 kinderen hadden de weg naar het
huisje teruggevonden. Maar voordat ze wilde aankloppen zei 
Klein Duimpje, 'Wachten jullie nog maar even hier, dan zoek ik
uit of we wel welkom zijn.' Klein Duimpje ging aan de deur luisteren
en daar hoorde hij zijn moeder snikken; 'Ach mijn arme
kindertjes, als ze maar niet door de wolven zijn opgegeten. En
morgenochtend vroeg gaan we ze meteen zoeken...' Klein Duimpje wist 
genoeg en even later dansten de kinderen met hun moeder rond de tafel.
En iedereen was weer gelukkig... Voor een paar weken. Want na
een paar weken goed eten waren de 10 zilverstukken op en weer
hoorde Klein Duimpje op een avond zijn moeder huilen. Er waren
nog precies 10 boterhammen in huis en dan was alles weer op.
De vader stelde weer hetzelfde plan voor en weer wilde hij
de kinderen de volgende dag in het bos achterlaten. De moeder
legde zich erbij neer, maar Klein Duimpje probeerde die nacht
weer kiezelsteentjes te zoeken. Maar de klink van de deur
zat ervoor en Klein Duimpje kon met geen mogelijkheid naar
buiten. 'Weet je wat', dacht hij, 'ik neem een boterham mee,
en in plaats van kiezelsteentjes leg ik een spoor uit van
kleine stukjes brood'. 
 En zo gebeurde precies hetzelfde als een paar weken daarvoor.
De houthakker ging met de jongens weg, liet ze midden in het
bos achter en Klein Duimpje vertelde geruststellend tegen zijn broers
dat ze ook nu de weg wel terug zouden vinden omdat hij een spoor van
broodkruimels had achtergelaten. Maar ach die arme kinderen; de
stukjes brood waren natuurlijk allemaal door de hongerige vogels
opgegeten en zo stonden de jongens helemaal alleen in het binnenste
van het donkere bos. 

.....
 
 De wind zwol aan en het begon te regenen en te onweren. 
De jongens trokken hun rode wollen mutsjes diep over hun oren en ze
begonnen maar te lopen in de hoop iets of iemand tegen te komen.
 
En nadat ze enkele uren door de duisternis hadden gelopen zag 
Klein Duimpje in de verte een lichtje tussen de bomen schijnen.
En daar liepen ze snel op af. Het licht kwam uit een enorm
groot huis. Klein Duimpje klopte aan en in de deuropening
verscheen een reuzachtige vrouw met een vriendelijk gezicht.
'Dag mevrouw, we zijn verdwaald en hebben honger en hebben
het koud, zouden we vannacht in uw huis mogen blijven?'
'Ach lieve kinderen', zei de vrouw op jammerende toon, 'zometeen
komt mijn man thuis en dat is een akelige reus die gek is
op mensenvlees en die wil jullie kleine jongetjes opeten.'
Het was natuurlijk niet zo'n mooi vooruitzicht, maar Klein
Duimpje waagde het erop. 'Maar als u ons nu verstopt, alleen
voor de nacht. Dan hoeft uw man niets te weten en dan gaan wij
morgenvroeg direct weer weg. Alstublieft, het is zo koud...'
De vrouw nam de 7 jongetjes mee naar binnen en net toen ze
hen een kopje warme groentesoep wou geven werd er hard aan
de deur gemorreld: de reus kwam thuis! De vrouw verstopte de
jongens snel onder de keukenkast en ze dee net alsof er nix aan
de hand was. 'Ik heb honger als een reus', zei de reus met een
boosaardige stem, 'haal dat varken maar van het spit en geef
me snel een tonnetje bier'. De vrouw gehoorzaamde en even
later zat de reus te schransen en te schrokken. De jongetjes
onder kast hielden zich muisstil. De reus begon met zijn
neus te snuiven. 'Wat ruik ik vrouw, ik ruik MENSENVLEES! 
Wie heb je binnen gelaten en waar zitten ze?' De vrouw
ontkende, maar door zijn goede neus plukte de reus zo alle
7 jongetjes met zijn enorme vuist onder de kast vandaan.
'Ha, ha... 7 jongetjes heb je binnen gelaten, dat is dan
een mooi hapje voor zometeen.' De jongetjes zaten helemaal
verschrikt vast in de reus z'n hand en zeiden nix. De
vrouw raakte niet in paniek, maar zei op kalme toon. 'Ach,
je hebt al een heel varken op, volgens mij kun je beter
wachten tot morgen. Ik zal ze nog wat lekkers toestoppen zodat
ze je morgen nog lekkerder zullen smaken.' De reus vond
het wel een goed idee. Hij liet de jongetjes op de grond vallen, 
nam een laatste slok van zijn bier en viel over het afgekloven
varken in slaap. De vrouw gaf de jongens hun kopje warme soep
en even later nam zij de jongetjes mee naar boven om in bed te
leggen. 'Morgenvroeg kom ik jullie wekken en dan kunnen jullie
weg voor mijn man wakker wordt', fluisterde ze. 

......

In het slaapkamertje stond een groot bed waarin 7 meisje lagen
te slapen. Alle meisjes waren nog geen reuzinnetjes geworden, maar
waren even groot als de jongetjes. En hoewel de meisjes op hun
hoofdjes een zilveren kroontje droegen waren ze akelig en net
zo naar als hun vader. Klein Duimpje huiverde even toen hij 
onder die lieve kopjes, op hun deken allemaal afgekloven botten 
en karkassen zag liggen. De jongens werden op een zak stro 
gelegd en door de moeder warm onder een deken ingestopt. Voorzichtig 
trok ze alle rode mutsjes goed over jun kouwe hoofdjes heen, ze gaf
ze allemaal een kusje en ging weg. De jongetjes vielen gelijk in
slaap,
maar Klein Duimpje bleef wakker. 'Wat als de reus straks wakker
wordt, en trek krijgt?' Klein Duimpje durfde er eigenlijk niet
aan te denken, maar omdat hij dat toch durfde kreeg hij een
slim idee. Hij klom onder de deken vandaan en trok voorzichtig
alle mutsjes van zijn broertjes af. Hij klom op het bed van 
de 7 meisjes en verwisselde de kroontjes met de mutsjes.
Snel ging hij weer naar de strozak toe en deed de kroontjes
op de hoofdjes van zijn broers. Zelf kroop hij weer onder deken,
en deed ook een kroontje op zijn hoofd. En net toen zijn adem
weer wat tot rust was gekomen leek het alsof zijn hart stil stond:
daar ging in de duisternis de deur open. Klein Duimpje kneep zijn
ogen stijf dicht. 'Hmm Grmm', zei de reus, 'waar zijn die lekkere
jongetjes'. En toen voelde Klein Duimpje hoe de reuzehand van de
reus zijn kroontje even vastpakte. 'Oh, dat zijn mijn lieve
dochtertjes, dan liggen die vette kluifjes in het andere bed.'
De reus greep in de duisternis in een keer al zijn dochtertjes,
hakte ze direct in stukken, deed ze in een zak en gooide de
zak in de kelder: 'Dat is voor straks als m'n vrienden komen,
HA, HA...!' De reus ging weer naar bed en Klein Duimpje wachtte met
kloppend hart op het eerste schijnsel van de morgen. En in de
vroegste schemering kwam de vrouw de jongetjes wekken en zonder in
het bedje van haar dochtertjes te kijken hielp ze de jongetjes
snel naar buiten. Ze kregen ook nog van alles te eten mee voor
onderweg. En ze moesten opschieten, want als de reus wakker
zou worden en zou merken dat ze weg waren, dan zou hij zeker achter
ze aan gaan. En zo liepen de 7 jongetjes met Klein Duimpje voorop
met flinke pas het bos weer in.

.......

De reus was inderdaad wakker geworden en al snel werd duidelijk
wat voor drama zich die nacht had voltrokken. De reus was woest en
ziedend dat hij zich door die kleine mormels beet had laten nemen. De
reus trok zijn zevenmijlslaarzen aan en ging op jacht om de jongetjes
te vinden. De zevenmijlslaarzen waren toverlaarzen en met iedere stap
kon de reus 7 mijlen vooruit komen. De jongetjes hadden wel een grote
voorsprong, maar al gauw zagen ze in de verte hoe de reus hen op de
hielen zat. En net nu ze de weg terug hadden gevonden, en zo dicht bij
hun eigen huisje waren. En dus verstopten zij zich achter een rots en
hoopten dat de reus hen voorbij zou lopen. Maar vlakbij waar ze zich
hadden verstopt hield de reus zijn pas in. De reus keek eens goed om
zich heen en snoof eens diep met zijn neus. Hij zag en rook nix. 
De reus ging tegen een andere grote rots liggen en viel in slaap.
Klein Duimpje sprong als eerste achter de rots vandaan en zei tegen
zijn broers dat zij zo snel als zij konden naar huis moesten rennen.
De jongetjes zette het op een lopen en Klein Duimpje liep naar de
snurkende reus toe. Voorzichtig trok hij de grote laarzen van de reus
uit en deed ze aan zijn eigen kleine voetjes. En het wonderlijke
gebeurde -het waren toverlaarzen- de laarzen krompen zo dat zij
precies om Klein Duimpjes voetjes pasten, maar nog steeds kon je er
7 mijlen tegelijk mee lopen. En zo spoedde Klein Duimpje zich niet
naar huis, maar naar het huis van de reus. Hij klopte aan de deur en
daar verscheen de vrouw. Klein Duimpje vertelde dat de reus gevangen
genomen was door een stel rovers en dat als ze niet snel al zijn geld
kregen, zij 'm zouden vermoorden. De vrouw keerde snel terug met een
grote berg goudstaven. Klein Duimpje nam ze mee en nog voor de avond
viel was hij teruggekeerd bij zijn eigen huisje. Daar was de stemming
niet zo vrolijk. De moeder was wel blij dat haar zoontjes terug waren,
maar waar was Klein Duimpje gebleven. En geld om te eten was er nog
steeds niet. Maar daar kwam Klein Duimpje binnen met al het goud. En
toen de koning van het land hoorde dat Klein Duimpje zo snel kon lopen
werd hij de boodschapper van de koning en mocht hij in het paleis
komen wonen. Ook de hele familie mocht later bij de koning komen wonen
en om geld of eten hoefden zij zich nooit meer zorgen te maken.
En het wonderlijkste wat er gebeurde was dat Klein Duimpje ineens
groot was geworden; plots was hij een grote echte man geworden. 
En de reus? Ach, die is waarschijnlijk door de wolven opgegeten. 
Maar Klein Duimpje en zijn familie woonden, leefden, kookten
en aten nog lang en gelukkig...