Taalverandering is taalverloedering?

DirkJan Vos - d.vos35@chello.nl

Amsterdam - Den Haag 1960

April 2015

In het aprilnummer van Onze Taal staat een artikel van de oud-taalkundige RenÚ Appel. Helaas kan ik niet naar dat stuk verwijzen met een link of anderszins. Maar op Neder-L heeft taalwetenschapper Marc van Oostendorp een wel prangende kritiek geschreven en ik ben het met hem eens. Die reactie kan ik wel geven.

De taal een klein beetje veranderen! - Marc van Oostendorp - nederl.blogspot.nl

En ik heb daar ook op gereageerd met een lange reactie en die heb ik hier op deze pagina geplaatst, omdat het goed weergeeft hoe ik al heel lang over taal denk. En dat is voor mij niet in conflict met het braaf volgen van de groene spelling en dat ik voor een standaardtaal ben. En dat laatste is ingegeven doordat je wel met enthousiasme taalvariatie kan bestuderen, maar dat je ook een eigen subjectieve taalbeheersing hebt. Ook al ben je nog zo neutraal, je zal je eigen kinderen altijd proberen om jouw opvattingen over taal over te dragen. En dan probeer je al jong hun hebben af te leren. Niet omdat het fout is, maar lelijk. Ook dat oordeel is voor mij van belang. Maar ik wil niet zoals RenÚ Appel voorstelt, om er een Taalbewaker voor aan te stellen. En dit raakt ook niet de kern van taalverandering. Die vindt gewoon onherroepelijk plaats. Wees geen pessimist of optimist, maar een realist. En als je idealistisch bent, je hoeft niet zelf mee te veranderen om de anderen wel de taal te laten aanpassen.

En de stevige positie van het Nederlands als standaardtaal komt mogelijk ook omdat het Nederlands al lange tijd vrij is van invloeden van buitenaf. Desondanks de invloed van andere moedertaalsprekers zoals allochtonen kan de standaardtaal zich in Nederland nog steeds goed handhaven, ik denk dan ook door onderwijs, media en internet. Maar dat wordt door de wetenschap als invloed weerlegt. Taalverandering verloopt via face-to-face-contacten, op het schoolplein en het voetbalveld. Ik zou daar wel meer onderzoek naar willen zien.

In Vlaanderen richt men zich wel op het Standaardnederlands, maar in de praktijk komt daar weinig van terecht. Het Vlaams is een lappendeken van dialecten en tussentalen. Er bestaat ook geen Standaardvlaams. Ook dat maakt het allemaal ingewikkeld.

En er bestaat een spanningsveld tussen wetenschappelijk waarneembare taalvariatie en persoonlijke taalvoorkeuren. Die discussie houdt nooit op. Het gaat niet om wiskunde, maar om mensen.

Hier mijn reactie.

Opmerkelijk dat er op het stuk van RenÚ Appel en op de reactie daarvan door Marc van Oostendorp hier geen commentaren zijn verschenen. Mogelijk vinden taalkundigen het een afgekloven bot waar niemand meer trek in heeft om zijn tanden in te zetten. Dan doe ik als belangstellende domme leek een duit in het zakje.

RenÚ Appel stelt zich op in een middenpositie, maar ergens staat hij dan automatisch aan de kant van de normatieven. Als je als wetenschapper naar de ontwikkelingen van de taal kijkt, dan zou je per definitie een realist moeten zijn: je doet niet anders dan het signaleren van de veranderingen, zonder een waardeoordeel. Maar RenÚ Appel maakt ook als taalgebruiker en schrijver deel uit van de taal en dan gelden individuele voor- en afkeuren wel. Net als een politicoloog een analyse kan geven van alle partijen staat hij ook zelf in het stemhokje om een keuze op een politieke partij te maken. Appel heeft er nu voor gekozen om zijn politieke voorkeur openbaar te maken. En dan kun je iemand gelijk aanspreken op zijn persoonlijke mening.

Zoals over de taalveranderingen. Ik hoor en lees al veertig jaar zo'n beetje hetzelfde, het gaat altijd over hun hebben, groter dan/als, wat/dat, een aantal dat/die, irriteren of ergeren aan. en dan heb je het wel gehad. Het past kennelijk allemaal in het kader van een mogelijke taalverandering, maar ik vind het kleine en marginale onderwerpen, of ze nu wel of niet doorzetten en of dat nu goed of fout is.

RenÚ Appel heeft het dan ook nog over de sterke invloed van het Engels. Inderdaad het Engels is alom in de media, op tv, film en muziek, maar Nicoline van der Sijs heeft een paar jaar geleden aangetoond dat die invloed op onze taal juist tamelijk klein en marginaal is (tenzij je twittert als Jan Kuitenbrewer). En zelf ben ik ook wat sceptisch over het Poldernederlands. Twintig jaar geleden gesignaleerd en het zou explosief toenemen. Nu gaat het om wat uitspraakveranderingen waarvan al eens is gesteld dat die kenmerken al veel langer bestaan, maar hoe dan ook vind ik het nauwelijks opvallende veranderingen en ook geen verandering van de grammaticale standaardtaal. Er worden in Nederland wel duizend accenten gesproken. En ja, je hoort die accenten tegenwoordig vaker in de media dan vroeger toen je doorgaans alleen de elite hoorde. En er is een groei van de Gooische-r.

Wat mij dan opvalt is dat ondanks alle gesignaleerde veranderingen het Standaardnederlands zich eerder alleen maar aan het verstevigen is en verder verspreid. Tuurlijk, er wordt door het hele land met allerlei accenten gesproken, maar de grammatica in de spreek- en schrijftaal lijkt voor mij nagenoeg al heel lang onveranderd.

Een recent nieuw element zou het verdwijnen van het-woorden zijn, die worden de-woorden. Vooral populair onder allochtonen. Zeker waar, maar gaat dat ook echt verder doorzetten, zijn het-woorden over honderd jaar verdwenen, zoals de Vlaamse schrijfster Ann de Craemer deze week opgelucht schreef in De Morgen? Ik moet het allemaal nog zien.

Taal verandert, ook al zijn die veranderingen klein en gaan ze traag, en daar heb ik geen enkele moeite mee, maar vooralsnog signaleer ik dat de standaardtaal nog heel stevig in het zadel zit. En dan zou ik me over hun hebben geenszins druk maken.

Hier de url naar de column van Ann de Craemer:

Verlangt u ook naar 'de weekend'? - Ann de Craemer - www.demorgen.be

__

Nogmaals de link naar de discussie en met een laatste reactie van Marc van Oostendorp op mijn bijdrage.

De taal een klein beetje veranderen! - Marc van Oostendorp - nederl.blogspot.nl

__

En ik wil op deze pagina van de gelegenheid gebruik maken om nog een idee naar voren te brengen dat ik al jaren heb. Taalverandering is een vorm van langzame evolutie. En naar mijn idee zoekt de levende taal een evenwicht tussen efficiŰntie en verbijzondering. Door invloeden van buiten wordt de taal steeds aangepast en vaak eenvoudiger. Maar ik denk dat daar grenzen aan zitten en dat juist ook in de taal een mate van complexiteit en verbijzondering gewenst is.

En ik denk ook dat de Nederlandse taal vroeger veel ingewikkelder was en ook veel sneller veranderde. Ik bespeur vanaf na de oorlog een sterke opkomst, verspreiding en consolidering van de standaardtaal. Hoe komt dat? Door de media of door een gebrek aan invloeden van buiten? De taalwetenschap verwerpt een claim dat het door de media zou komen. Geen effect, wel verandering door fysieke contacen en interactie. Ja, ik geloof het ook wel, maar toch ...

__

Later dit jaar verschijnt er de Nationale Wetenschapsagenda en waaraan nu ook gewone burgers een bijdragen kunnen leveren door een onderzoeksvraag te stellen. Het Meertens Instituut heeft onlangs een oproep geplaatst om interessante vragen voor de taalwetenschap naar hun te zenden. En dat heb ik gedaan. Ik ontving later bericht dat mijn vraag wordt opgenomen. De vraag is opnieuw geformuleerd en met een korte toelichting erbij. Hieronder plaats ik de formulering zoals die is ingezonden.

- In hoeverre wordt de uniformering in het Nederlandse taalgebruik bevorderd door de media?

Toelichting: In de loop van de afgelopen 150 jaar is de gesproken standaardtaal steeds sterker geworden in Nederland. Vrijwel iedereen spreekt een vorm van standaard-Nederlands (naast eventuele andere talen en dialecten). De vraag is in hoeverre massamedia hiervoor verantwoordelijk zijn, en of interactieve 'sociale' media hierin een andere rol spelen.

Uit allerlei (vooral) buitenlands onderzoek komt naar voren dat massamedia nauwelijks invloed hebben op het werkelijke taalgebruik van mensen. Van belang is vooral (of zelfs uitsluitend) direct contact: je neemt alleen taal over van mensen tegen wie je iets terug kunt zeggen. Dit verschijnsel gaat in tegen de intu´tie van veel mensen (getuige termen als 'Kinderen-voor-Kinderen-r') en het is voor Nederland ook niet onderzocht. Als de media geen rol hebben gespeeld, hoe is de standaardtaal dan zo sterk geworden in vergelijking met de dialecten?

Een nevenvraag daarbij is of de nieuwe sociale media wÚl (of: een ander) effect zullen hebben. Hun karakter is immers per definitie interactief en dat zou dus kunnen doen vermoeden dat ze de verbreiding van taalwetenschappen doet versnellen.

(Deze vraag is gezamelijk ingediend door DirkJan Vos en een onderzoeker van het Meertens Instituut, Marc van Oostendorp.)

Over de invloed van het Engels op het Nederlands en de veronderstelde taalverloedering daarvan, heb ik een pagina geschreven met een lange lijst van anglicismen.

Anglicismen - dejongenskamer.nl

DirkJan Vos - d.vos35@chello.nl